Geheugenstoornis na een CVA

Dit bericht is bestemd voor mensen die getroffen zijn door een CVA (Cerebro Vasculair Accident ofwel een beroerte) én voor hun familie en/of relaties. Door het CVA raakt een gedeelte van de hersenen beschadigd. De plaats van de beschadiging is bepalend voor de verschijnselen die optreden bij de patiënt. Meestal zien we bij een CVA een halfzijdige verlamming of halfzijdig functieverlies van gelaat, romp, arm en/of been.

Daarnaast zijn er ook minder zichtbare verschijnselen zoals:

  • geheugenstoornissen (amnesie)
  • handelingsstoornissen (apraxie)
  • taalstoornissen (afasie) en spraakstoornissen (dysartrie)
  • stoornissen in waarnemen (neglect/hemianopsie)
  • veranderingen in persoonlijkheid (gedrag, karakter)
  • veranderingen in het gevoelsleven (emoties)
  • stoornissen in het plannen en bijsturen van gedrag (executieve stoornis).

Deze informatie gaat over de geheugenstoornissen die het gevolg kunnen zijn van de hersenbeschadiging. Zie voor meer informatie over een CVA de folder “Een beroerte, en dan?” of de folders over neglect/hemianopsie en apraxie. Deze folders zijn verkrijgbaar bij de verpleging of de transmuraal CVA verpleegkundige.
De hersenen en het geheugen 

Het geheugen is een functie van de hersenen. De hersenen bestaan uit de grote hersenen en de kleine hersenen (cerebellum). Beide hebben een rechter- en een linkerhelft. De hersenen zijn in grote lijnen verdeeld in gebieden die ieder zo hun eigen functie hebben. Zo heeft het gebied achter in de hersenen veel te maken met het verwerken van dingen die je ziet en het gebied voorin meer met het maken van bewegingen. Met name de hogere hersenfuncties, zoals het geheugen en aandacht, worden echter aangestuurd door meerdere gebieden in de hersenen, verspreid over beide hersenhelften.|

Er is dus niet maar één locatie waar zich “hét geheugen” bevindt. Wel kun je zeggen dat voor het onthouden van informatie die via taal (gesproken of geschreven tekst) tot je komt, met name de linker hersenhelft wordt gebruikt. Voor het onthouden van informatie die via plaatjes of foto’s wordt aangeboden, wordt meer de rechter hersenhelft gebruikt.  

 
Soorten geheugen 

Een belangrijk onderscheid dat gemaakt wordt wat betreft het geheugen is dat van het korte- en het lange termijn geheugen. Het korte termijn geheugen (KTG) is er om tijdelijk informatie vast te houden en actief te bewerken. Dit heb je nodig om bijvoorbeeld te onthouden wat je in de kelder ging halen, om een vraag of telefoonnummer even te onthouden, of om een keuze te kunnen maken. In het KTG kan maar een beperkte hoeveelheid tegelijk worden vastgehouden. Via het KTG kan een deel van de informatie overgebracht worden naar het lange termijn geheugen (LTG). In tegenstelling tot het korte termijn geheugen biedt het lange termijn geheugen ruimte aan oneindig veel informatie. Eenmaal opgeslagen kan de informatie levenslang bewaard blijven. 

Een belangrijke onderverdeling die gemaakt wordt binnen het lange termijn geheugen, is die van het declaratief geheugen en het procedureel geheugen. In het declaratief geheugen wordt informatie over voorwerpen, mensen, begrippen, gebeurtenissen, jaartallen, teksten, liedjes etc. bewaard. Het is kennis die je bewust kunt opslaan en weer terughalen (“Wat is onze trouwdatum?”, “Wat is een olielamp?”, “Vertel nog eens van toen!”). In het procedureel geheugen zijn bewegingen en vaardigheden opgeslagen zoals lopen, fietsen, tekenen, je veters strikken, auto rijden etc. Dit zijn bewegingen die sterk automatisch (onbewust) verlopen: je kunt bijvoorbeeld traplopen zonder er bij na te denken en zonder je te herinneren hóe of wánneer je dat geleerd hebt. Vaak kun je iemand een beweging niet goed leren door het te beschrijven, maar wel door het hem keer op keer te laten dóen (oefenen). 

Voor de revalidatie na een CVA kan dit laatstgenoemde onderscheid van belang zijn. Dit betekent namelijk dat ook CVA-patiënten met ernstige stoornissen in het declaratieve geheugen mogelijk wél in staat zijn om niet al te moeilijke bewegingsvaardigheden en volgordes in handelingen aan te leren. De CVA-patiënt hoeft zich er niet van bewust te zijn dat hij de vaardigheid beheerst om deze tóch te kunnen uitvoeren. Bijvoorbeeld: de CVA-patiënt krijgt dagelijks dezelfde aanwijzingen voor een goede manier van “uit bed komen”. Hij kan misschien die aanwijzingen niet navertellen als je daar om vraagt. Maar door het steeds herhalen van de bewegingen op dezelfde manier, komt hij op een gegeven moment tóch op de goede manier uit bed (d.w.z. hij past de adviezen onbewust toe).


Hoe informatie wordt vastgelegd in het Lange Termijn Geheugen 

Het transport van het korte naar het lange termijn geheugen noemen we inprenten. Dit proces gaat niet altijd vanzelf, het vraagt inspanning. Hoe goed we iets onthouden, is afhankelijk van verschillende factoren:

  • de aandacht die we ervoor hebben
  • de emoties die erbij worden beleefd (prettige of juist geen prettige ervaringen), of het gepaard gaat met humor
  • hoe vaak de informatie wordt herhaald (bijvoorbeeld leren voor een tentamen)
  • of je een voorstelling kunt maken bij de informatie (een beeld vormen in gedachten, visualiseren)
  • hoe goed de informatie wordt geordend (leren van rijtjes)
  • associaties (ezelsbruggetjes, de informatie in verband brengen met iets wat je al kent)
  • hoe diep en hoe lang erover nagedacht wordt, hoe goed de informatie wordt begrepen

Geheugenproblemen na een CVA 

Nu duidelijk is hoe ons geheugen werkt, wordt ook duidelijk dat een geheugenstoornis geen eenduidig probleem is. Door een CVA kunnen hersenstructuren beschadigd zijn waardoor geheugenproblemen ontstaan. Daarbij is er meestal niet maar één probleem dat verantwoordelijk is voor een slecht functionerend geheugen. CVA-getroffenen hebben vaak te maken met meerdere stoornissen in verschillende hersenfuncties (bijvoorbeeld stoornissen in taal, waarneming en concentratievermogen) die allemaal op elkaar van invloed zijn. Vaak hebben ze bijvoorbeeld problemen met de concentratie en daarom ook met onthouden. Verder zijn er buiten de directe schade aan de hersendelen die een rol hebben in de geheugenprocessen nog andere invloeden die het onthouden kunnen bemoeilijken. Voorbeelden hiervan zijn:

  • gespannen, nerveus zijn
  • er komt teveel informatie ineens op je af, het gaat te snel
  • somberheid, verdriet
  • verminderde lichamelijke gesteldheid (pijn, vermoeidheid, ziekte)
  • bepaalde medicijnen.

Een stoornis kan zich in verschillende fasen van het geheugenproces voordoen:

  • inprentingstoornis: het lukt iemand niet meer om nieuwe informatie goed op te slaan in het lange termijn geheugen
  • gestoorde reproductie: iemand heeft moeite met het opdiepen, het terughalen van opgeslagen informatie maar kan het wel herkennen (“Oh ja….!)


Tips en adviezen in het omgaan met geheugenstoornissen 


Voor de CVA-getroffene en zijn naaste geldt:

  • Prent belangrijke dingen die niet vergeten mogen worden op verschillende manieren in. Herhaal ze op verschillende momenten.
  • Besteed meer tijd en aandacht aan wat u wilt onthouden.
  • Maak gebruik van allerlei externe geheugensteuntjes. Zo kunt u een agenda bijhouden en daar op vaste tijdstippen in kijken. Of u kunt gebruik maken van schema’s of timers (horloge-alarm functie). Handig is ook een medicijndoosje waar de dagen van de week op staan.
  • Leg spullen zoveel mogelijk op vaste plaatsen
  • Gebruik een dagboek of notitieboek als hulpmiddel bij het voorbereiden van belangrijke gebeurtenissen of gesprekken.
  • Besef dat activiteiten als voorlezen of zelf een boek lezen een zwaar beroep op het geheugen doen en dus moeilijk of niet leuk kunnen zijn. Probeer dit soort activiteiten te plannen op momenten dat u goed bent uitgerust en spreek met uzelf af hoelang u met deze activiteit bezig wilt zijn. Dit om oververmoeidheid (en dus tegenzin) te voorkomen.
  • Zorg dat anderen geen misbruik kunnen maken van een zwak geheugen, bijvoorbeeld als het gaat om financiële zaken.


Voor de CVA-getroffene geldt:

  • Vereenvoudig de informatie door bijvoorbeeld de regionale krant te lezen in plaats van een landelijk dagblad of door naar het jeugdjournaal te kijken in plaats van naar het journaal van 20.00 uur.
  • Onderstreep belangrijke informatie, bijvoorbeeld bij het lezen van deze brochure of de krant.
  • Pas de hoeveelheid informatie die u wilt onthouden aan. Neem minder informatie per keer op door bijvoorbeeld lange teksten in kortere te verdelen.
  • Probeer informatie die u wilt onthouden zoveel mogelijk te ordenen (net als in een bibliotheek gebeurt met boeken). Door actief te structureren is de kans groter dat de informatie wordt onthouden.
  • Herhaal de te onthouden informatie. Het helpt dus als u een tekst meer dan eens leest.


Voor de naaste geldt:

  • Vul de gaten in het geheugen soepel en als vanzelfsprekend aan.
  • Stel één vraag tegelijk.
  • Gebruik korte, enkelvoudige opdrachten.

 

Geheugentraining 

Volgens de huidige stand in de wetenschap is het nog niet goed mogelijk om uitgevallen geheugenfuncties terug te trainen zoals je spieren opnieuw kunt trainen als ze zijn verzwakt (functietraining, gericht op herstel). Indien bepaalde specifieke dingen belangrijk zijn voor de patiënt om te leren (bijvoorbeeld de namen van familie of vaste verzorgers, de route naar de w.c.), kan geprobeerd worden door veelvuldige herhaling dit doel te bereiken (de zogenaamde “drill&practice” methode, “inslijpen”).

Een andere vorm van training waarmee je een bredere toepassing bereikt in het dagelijks leven is strategietraining. Hierbij wordt eerst geprobeerd de patiënt te leren wat de rol is van geheugenproblemen binnen bepaalde taken of activiteiten. Vervolgens wordt de patiënt een strategie (methode) aangeleerd om deze taken en activiteiten anders uit te voeren, zodat de negatieve inbreng van de geheugenstoornissen zoveel mogelijk wordt beperkt. Men biedt de patiënt dus compensatiestrategieën die hij kan toepassen in probleemsituaties in het dagelijks leven.  Een derde vorm van training is het de patiënt efficiënt leren omgaan met externe hulpmiddelen (agenda’s, kalenders, kleuren die routes aangeven, borden etc.).

Verder is het van belang dat iemand met geheugenproblemen wordt ondersteund in de acceptatie van de stoornis. Er kan aandacht gegeven worden aan het vergroten van het zelfvertrouwen, het verminderen van onzekerheid, het relativeren van geheugenklachten en leren om op een andere manier tegen de klachten aan te kijken.

Voor meer informatie over geheugentraining kunt u terecht bij het plaatselijk cursusbureau van de GGD of de GGD algemeen..       

Met dank aan Afdeling neurologie.

Please follow and like us: